Nederland en de Molukken
Nederland en de Molukken
De relatie tussen Nederland en de Molukken gaat ver terug. Als enige producent van waardevolle specerijen, zoals kruidnagel en nootmuskaat zijn de Molukken van groot belang voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) die in 1602 wordt opgericht. Als de opbrengsten van de specerijen aan het einde van de negentiende eeuw teruglopen en de koloniale staat tegelijkertijd op zoek is naar personeel, wordt ook naar de Molukken gekeken, waar een deel van de bevolking is overgegaan naar het christendom. Het zijn vooral deze christelijke Molukkers (toen “Ambonezen” genoemd, naar het eiland Ambon), die als ambtenaar, onderwijzer of als militair worden geworven. De meeste militairen, zowel Molukkers als mannen uit andere bevolkingsgroepen uit de Indonesische archipel, treden in dienst van het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Daarnaast komt een kleine groep Molukkers terecht bij de Koninklijke Marine. Ze bekleden daar vooral de lagere rangen. Molukkers vormen een belangrijk onderdeel binnen het KNIL. Ze gelden als betrouwbare en aan Nederland loyale militairen. In de Tweede Wereldoorlog wordt ook nog een groep jonge mannen van de Molukse TNS-eilanden Teun, Nila en Serua gerekruteerd door de geallieerden en naar Australië overgebracht om daar dienst te nemen bij het KNIL of de marine. (hier komt nog een interne link naar het verhaal van een vd Molukkers op Rhijnhof, die naar Australië gaat).
Indonesië 1945-1949
Na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog, wil Nederland haar gezag over de kolonie herstellen. De inheemse Indonesiërs komen hiertegen in opstand en roepen op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republik Indonesia uit. De Nederlandse regering erkent de nieuwe republiek niet, maar beschouwt haar als een opstandige beweging waartegen ‘politioneel’ moet worden opgetreden. Ze spreken niet van een onafhankelijkheidsoorlog maar van een opstand.
In de periode van de politionele acties worden de militairen van het KNIL en de Koninklijke Marine ingezet bij operaties tegen de Indonesische vrijheidsstrijders.
Het duurt tot 1949 voordat de oorlog formeel wordt beëindigd en de onafhankelijkheid van de voormalige kolonie Nederlands-Indië door Nederland wordt erkend, gevolgd door de soevereiniteitsoverdracht op 27 december 1949.
Republik Maluku Selatan – RMS
Nederland streeft naar een federaal Indonesië waarin de Molukken een vorm van zelfbeschikking zouden krijgen. Hoewel bij de soevereiniteitsoverdracht een federale structuur bedongen wordt, verklaart Indonesië al snel de invoering van een eenheidsstaat. Daarop wordt door de Molukkers op 25 april 1950 de Republik Maluku Selatan (Republiek der Zuid-Molukken – RMS) uitgeroepen.
‘Tijdelijk’ naar Nederland
Op 26 juli 1950 wordt het KNIL opgeheven. De 62.000 inheemse soldaten krijgen de keuze ofwel gedemobiliseerd (burger) worden, ofwel in dienst treden bij het Indonesisch Nationaal Leger (TNI). Zij die niet kiezen voor het Indonesische leger worden tijdelijk, totdat ze kunnen worden gedemobiliseerd, in de Nederlandse Koninklijke Landmacht opgenomen en op Java gestationeerd. De meeste Molukkers onder hen willen op Ambon gedemobiliseerd worden en zich aansluiten bij het leger van de RMS om zo mee te strijden voor een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken. Dat is voor de Indonesische regering niet aanvaardbaar en Nederland wil de jonge betrekkingen met de voormalige kolonie niet verstoren. Als ’tijdelijke’ oplossing worden in 1951 daarom de ca. 4.000 Molukse voormalige KNIL-militairen samen met hun gezinnen – in totaal ongeveer 12.500 personen – met troepenschepen naar Nederland gehaald. Daar worden ze direct bij aankomst ontslagen uit militaire dienst. Ze worden ondergebracht in kampen, toen nog gezien als tijdelijke verblijfplaatsen. Uiteindelijk blijven de meesten permanent in Nederland.
Marine-Molukkers
Rond 1941 heeft de Koninklijke Marine bijna tweeduizend ‘inheemsen’ in dienst, ofwel een derde van het beroepspersoneel van de marine. In 1942 zijn er daarvan nog ongeveer 700 over, omdat velen zich hebben aangesloten bij de strijd voor een onafhankelijk Indonesië. Het zijn juist veel Molukkers die blijven. Na de soevereiniteitsoverdracht besluit de marine haar inheemse personeel geleidelijk aan door pensionering, ontslag en overgang naar de Indonesische zeestrijdkrachten (ALRIS) af te laten vloeien. Na het uitroepen van de RMS besluit de marineleiding echter ook de ca. 130 Molukse marinemannen en hun gezinnen naar Nederland over te brengen. De Marine-Molukkers worden in tegenstelling tot de KNIL-soldaten niet bij aankomst ontslagen. Een reden is dat ze een contract hebben bij de marine, die anders dan het leger, geen aparte koloniale eenheid heeft. Wel zijn ze op dat moment stateloos. Ze worden gehuisvest in kazernes van de marine of in pensions verspreid over het land. De Marine-Molukkers blijven dienen in de marine, zowel in Nederland als op schepen die ook naar het buitenland varen. Daar levert het feit dat ze jarenlang niet de Nederlandse nationaliteit hebben regelmatig problemen op wanneer ze van boord willen. Vanaf einde jaren ’50 beginnen zij – ook onder druk van de marineautoriteiten – de Nederlandse nationaliteit aan te nemen. Tegen 1965 hebben alle Marine-Molukkers een Nederlands paspoort. De kinderen van de Marine-Molukkers integreren vlotter dan die van de voormalige KNIL-soldaten. Hun vaders zijn niet ontslagen en hebben een vast maandinkomen, waardoor de meesten van hen al na een paar jaar een eigen huurwoning kunnen betrekken. De kinderen groeien niet op in aparte Molukse woonoorden, maar tussen Nederlanders.
Zeven Marine-Molukkers vestigen zich uiteindelijk in Leiden. Allen werden op Begraafplaats Rhijnhof in Leiden begraven. Zij en hun nakomelingen maken inmiddels al 75 jaar deel uit van de Leidse samenleving.
Meer weten over de zeven Marine-Molukkers op Rhijnhof, klik dan op hun naam.


