Menase Albert Workala
Molukse veteraan van de Koninklijke Marine
Het begin van een avontuurlijk leven
Menase Workala wordt geboren op Serua, een afgelegen vulkanisch eiland in de Banda Zee, onderdeel van de Zuidwestelijke Molukken. In 1944 stort een Amerikaanse bommenwerper neer in de buurt van het eiland. Vier van de tien bemanningsleden overleven de crash. Ze worden gered door de eilandbewoners. Dit is voor het Nederlandse leger aanleiding om op het eiland jonge mannen te rekruteren. Februari 1944 kiezen tien mannen voor de luchtmacht en tien voor de marine, waaronder Menase. Hij is dan nog net geen 20 jaar oud. In de stamboeken van de Koninklijke Marine wordt hij geregistreerd met nummer 20338. Hij krijgt een opleiding tot telegrafist in Melbourne, Australië.
Huwelijk
In 1948 trouwt Menase met Engelina Pormes. Zij is eveneens afkomstig van het eiland Serua, waar zij op 6 augustus 1922 geboren is. Ze trouwen op Ambon. Op de huwelijksfoto prijkt aan hun voeten een bordje met daarop:
Good Luck – Ambon 28/3/1948
Het bruidspaar vertrekt na hun huwelijk naar Surabaya, waar Menase wordt gestationeerd als telegrafist. Twee zonen van oudere broers van Menase, Mozes Ursia en Leo Workala, respectievelijk 10 en 8 jaar, gaan met hen mee. Het jonge gezin woont in Surabaya samen met ander marinemannen en KNIL-militairen op een militaire compound. Maart 1949 en november 1950 worden hier de twee oudste kinderen geboren: Eduard en Ben.
Een onafhankelijk Indonesië
Na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog roepen inheemse Indonesiërs op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republik Indonesia uit. Tot aan de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 woedt er een hevige strijd tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Indonesische vrijheidsstrijders (zie ook: Nederland en de Molukken – Historische context). De Molukse marinemannen en KNIL-soldaten verkeren in een moeilijke positie. Zij die niet kiezen voor aansluiting bij het Indonesisch Nationaal Leger hopen dat zij op de Molukken gedemobiliseerd worden, waar op dat moment gestreden wordt voor een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (Republik Maluku Selatan/RMS). Uiteindelijk besluit de Nederlandse Regering de Molukse militairen en marinemannen op last van een dienstbevel ’tijdelijk’ naar Nederland over te brengen met de belofte dat ze op een later moment terug kunnen keren naar de RMS. Tussen 21 maart en 22 juni 1951 brengen elf grote passagiersschepen met 12.500 Molukse KNIL-soldaten en marinemannen met hun gezinnen van Indonesië naar Nederland. De Molukse marinemannen worden niet uit militaire dienst ontslagen. Zij blijven in dienst van de Koninklijke Marine en worden aangeduid als “inlandse schepelingen”. Dit in tegenstelling tot de KNIL-soldaten, die direct na aankomst in Nederland uit militaire dienst worden ontslagen.
Het gezin Workala in Nederland
Het gezin Workala maakt de overtocht met het passagierschip De Atlantis dat op 23 maart 1951 in Rotterdam aanmeert. Bij aankomst worden de passagiers medisch gekeurd in de Juliana Kazerne in Amersfoort. Na registratie in Amersfoort woont het gezin eerst in Doorn, waarna ze eind 1952 verhuizen naar Klundert, omdat Menase in Vlissingen op een mijnenveger is geplaatst. Hier wordt januari 1953 de derde zoon Henri geboren. Kort daarop worden ze slachtoffer van de Watersnoodramp, waarbij dierbare spullen en foto’s uit Indonesië verloren gaan. Op 2 februari 1952 wordt de familie geëvacueerd naar de koepelgevangenis in Breda, die als opvang locatie dient. Het verblijf in Breda is van korte duur. Na een tijdelijk onderkomen in een pension in Bergen-Binnen wacht in 1954 in Medemblik een plek in een barakkenkamp waar eerder arbeiders gehuisvest waren voor de inpoldering van de Wieringermeerpolder. Daar wordt december 1954 de oudste dochter Elfi geboren. Menase wordt overgeplaatst naar het marine zendstation in Den Helder en in 1956 verhuizen ze naar die plaats. Daar woont het gezin voor het eerst geïntegreerd tussen de Nederlanders en er vindt wederom gezinsuitbreiding plaats met de geboorte van dochter Helen in september 1960.
In 1959 zou Menase door de Koninklijke Marine naar voormalig Nederlands Nieuw-Guinea worden uitgezonden. Na alle vaccinaties en met de verhuiswagen al voor de deur krijgt Menase op het laatste moment het dienstbevel “geen uitzending”. De Koninklijke Marine acht het risico te groot dat Menase als stateloze telegrafist misschien zal overlopen naar het Indonesische leger. Er woedt op dat moment namelijk een conflict tussen Nederland en Indonesië over de status van Nieuw-Guinea, dat na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 onderdeel was gebleven van het Koninkrijk der Nederlanden.
In 1962 vertrekt Menase met het fregatschip HM Ewijck naar Curaçao. Het gezin volgt later dat jaar. De neven Mozes en Leo, die worden beschouwd als zonen en broers, zijn inmiddels volwassen en zelfstandig. Zij gaan niet meer mee naar Curaçao. Na terugkomst eind 1965 woont het gezin een jaar in een pension in Den Haag, in afwachting van een woning in Lisse, omdat Menase gestationeerd wordt op het radiozendstation in Noordwijkerhout. In Den Haag wordt maart 1966 de derde dochter Linda geboren. Kort daarop in 1966 vindt de verhuizing naar Lisse plaats, waar ze dan eindelijk lange jaren zullen blijven wonen.
Onderscheidingen
In 1971 ontvangt Menase de gouden medaille “voor langdurige, eerlijke en trouwe militaire dienst bij de Koninklijke Marine” en “als een beloning vanwege Hare Majesteit de Koningin, voor de wijze waarop hij, gedurende de tijd van 36 jaren, den Lande heeft gediend.”
Nog geen half jaar later 1972 wordt hij onderscheiden met de Eremedaille in brons verbonden aan de Orde van Oranje-Nassau. Op de voordracht staat:
Betrokkene heeft zich gedurende zijn marine loopbaan doen kennen als een uiterste plichtsgetrouwe militair met een onstuitbaar doorzettingsvermogen. Door zijn zeer grote loyaliteit, zijn enthousiasme en zijn serieuze levenswijze, in en buiten diensttijd, is hij een voorbeeld voor zijn omgeving.
In 1998 wordt hem door de minister van Defensie het Mobilisatie-Oorlogskruis toegekend, bestemd voor militairen en oud-militairen, die in de mobilisatietijd ten minste zes maanden in dienst waren, zie: Ministerie van Defensie
Een graf op Rhijnhof
Menase overlijdt op 18 december 2000 in Lisse. Hij wordt begraven op Rhijnhof in familiegraf 007143-EOO-200. Tien jaar later wordt ook zijn vrouw Engelina in dit graf begraven, waarin al eerder in 2003 de jongste zoon Henri is bijgezet. Zij was een marine vrouw die haar man vanaf 1948 trouw en dapper overal is gevolgd; een krachtige echtgenote op de achtergrond ondanks haar heimwee naar de Molukken en haar zwakke gezondheid.
Op Rhijnhof liggen zeven graven van Molukse veteranen van de Koninklijke Marine. In 2024 besluit het Leidse college van burgemeester en wethouders deze graven een beschermde en bijzondere status te geven. Zij garanderen het voortbestaan van de graven voor een periode van 30 jaar tot 2054. De grafrechten en onderhoudskosten zijn tot die periode door gemeente Leiden voldaan. Het is een teken van eerbetoon en eerherstel voor het leed dat de Molukkers van de eerste generatie is aangedaan na hun komst uit Indonesië naar Nederland in 1951.
Meer weten over de zeven Marine-Molukkers op Rhijnhof, klik dan op hun naam.

















