Marthin Pelmelay
Molukse veteraan van de Koninklijke Marine
Bij de Koninklijke Marine
Marthin Pelmelay wordt op 16 april 1919 geboren op Serua, een afgelegen vulkanisch eiland in de Banda Zee, onderdeel van de Zuidwestelijke Molukken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog treedt hij in dienst van de Koninklijke Marine. Hij wordt ingezet om te vechten tegen de Japanners voor de vrijheid van Nederlands-Indië en de TNS-eilanden (Teon, Nila en Serua).
Na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog roepen inheemse Indonesiërs op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republik Indonesia uit. Tot aan de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 woedt er een hevige strijd tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Indonesische vrijheidsstrijders (zie ook: Nederland en de Molukken – Historische context). De Molukse marinemannen en KNIL-soldaten verkeren in een moeilijke positie. Zij die niet kiezen voor aansluiting bij het Indonesisch Nationaal Leger hopen dat zij op de Molukken gedemobiliseerd worden, waar op dat moment gestreden wordt voor een onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (Republik Maluku Selatan/RMS). Uiteindelijk besluit de Nederlandse Regering de Molukse militairen en marinemannen op last van een dienstbevel ’tijdelijk’ naar Nederland over te brengen met de belofte dat ze op een later moment terug kunnen keren naar de RMS. Tussen 21 maart en 22 juni 1951 brengen elf grote passagiersschepen in totaal 12.500 Molukse KNIL-soldaten en marinemannen met hun gezinnen van Indonesië naar Nederland. De Molukse marinemannen worden niet uit militaire dienst ontslagen. Zij blijven in dienst bij de Koninklijke Marine en worden aangeduid als “inlandse schepelingen”. Dit in tegenstelling tot de KNIL-soldaten, die direct na aankomst uit militaire dienst worden ontslagen.
Het gezin Pelmelay in Nederland
Marthin is inmiddels getrouwd met Batcheba Rummers en ze hebben een zoon, Jacob Lukas. Het gezin vertrekt op 20 februari 1951 met de Kota Inten vanuit Surabaya. Een maand later, op 21 maart 1951, meren ze aan bij de Lloydpier in Rotterdam. De Kota Inten is het eerste schip dat in Rotterdam arriveert. Voor het gezin Pelmelay begint een nieuw hoofdstuk in een koud en vreemd land, ver van huis. Ze worden eerst ondergebracht in Huize La Forêt in Doorn. Daarna volgen Randwijk en Klundert. In Klundert maken ze de Watersnoodramp van 1953 mee: opnieuw een periode van onzekerheid en ontwrichting. In 1953 verhuizen ze naar Leiden, waar zij zich definitief vestigen; eerst in de Suringarstraat en later in de Corellistraat.
In Nederland dient Marthin als matroos eerste klas. Hij blijft varen en moet daarvoor regelmatig naar Den Helder. De zee is een belangrijk deel van zijn leven, ook als hij niet meer aan boord hoeft te werken en gestationeerd wordt in Oegstgeest en Valkenburg. Zijn laatste standplaats voor zijn pensioen is de voormalige Kweekschool voor de Zeevaart aan het Noordeinde te Leiden waar de Sociaal Medische Dienst van de marine gevestigd is.
In 1973 ontvangt Marthin de gouden medaille “voor langdurige, eerlijke en trouwe militaire dienst bij de Koninklijke Marine” en “als een beloning vanwege Hare Majesteit de Koningin, voor de wijze waarop hij, gedurende de tijd van 36 jaren, den Lande heeft gediend.”
Verscheurd tussen twee werelden
De oorlog laat diepe sporen na. Marthin raakt aan boord van de Hr.MS. Karel Doorman gewond. Over die periode spreekt hij nauwelijks. Hij is een man van weinig woorden met een leven dat getekend is door keuzes maken en ontheemding. Het leven van Marthin Pelmelay is het verhaal van veel Molukse KNIL- en marine militairen. Trouw aan hun plicht, gevormd door oorlog en verscheurd tussen twee werelden. Zoals de meeste Molukse veteranen draagt ook hij zijn herinneringen in stilte met zich mee.
Marthin is in zijn hart altijd Moluks, altijd Seruanees gebleven. Maar hij is ook een realist en weet dat terugkeer naar Serua voor hem onmogelijk is. De keuze om in Nederland te blijven is er uiteindelijk vooral één voor zijn gezin:
We zijn nu hier en laten we er het beste van maken.
Zijn kinderen omschrijven hem als volgt:
Onze vader vertelde weinig over zijn verleden en over wat hij had meegemaakt. Wanneer je als kind een opmerking maakte over zijn verwonding, dan liet hij daar soms iets over los. Maar meestal zweeg hij. Als we aan hem denken, dan zien we hem in de woonkamer aan de eettafel zitten. Zijn armen over elkaar en stoïcijns voor zich uitkijkend. Misschien dacht hij aan zijn familie in zijn thuisland die hij nooit meer terugzag of misschien aan gebeurtenissen die hij liever wilde vergeten. In deze stilte ligt een geschiedenis van moed, verlies en doorzettingsvermogen. Een geschiedenis die het verdient om verteld te worden.
Een graf op Rhijnhof
Marthin en zijn vrouw Batcheba worden in respectievelijk 1990 en 2004 op Rhijnhof begraven in familiegraf 005291-EOO-002. Hun oudste zoon Jacob Lukas is al in 1986 overleden en toen begraven in een algemeen graf. Twee jaar voor de dood van zijn moeder is hij herbegraven in het familiegraf, waar hij nu rust bij zijn beide ouders.
Op Rhijnhof liggen zeven graven van Molukse veteranen van de Koninklijke Marine. In 2024 besluit het Leidse college van burgemeester en wethouders deze graven een beschermde en bijzondere status te geven. Zij garanderen het voortbestaan van de graven voor een periode van 30 jaar tot 2054. De grafrechten en onderhoudskosten zijn tot die periode door gemeente Leiden voldaan. Het is een teken van eerbetoon en eerherstel voor het leed dat de Molukkers van de eerste generatie is aangedaan na hun komst uit Indonesië naar Nederland in 1951.
Meer weten over de zeven Marine-Molukkers op Rhijnhof, klik dan op hun naam.







