Julius Latuny
Molukse veteraan van de Koninklijke Marine
Het gezin Latuny
Julius Latuny is op 15 juli 1903 geboren in het dorp Soahukoe op het eiland Seram in Centraal-Molukken. Hij wordt kanonnier 1ste klas bij de Koninklijke Marine. Zijn stamboeknummer is 24282. In 1948 trouwt hij in Surabaya op Java met Willie (Wilhelmina Theresia) Papilaja. Zij was tien jaar jonger en in 1913 geboren in Kota Radja (het huidige Banda Aceh) de hoofdstad van de provincie Atjeh, gelegen op het noordelijkste puntje van het eiland Sumatra. Haar vader zit bij het Van Heutz korps. Ze volgt het Voortgezet Nederlands Onderwijs en is daarna werkzaam als coupeuse in het ziekenhuis van Surabaya. Uit haar eerste huwelijk heeft zij een zoon, Oetje, die in 1940 in Surabaya geboren is. Ook de oudste zoon van Julius en Willie – Johannis- wordt in die stad geboren in 1949. Verder maakt nichtje Otti Papilaja deel uit van het gezin. Zij is de oudste geadopteerde dochter, geboren in 1937. De eerste zoon van Julius en Willie, Johannis, overlijdt al in 1949 op Ambon. Twee jaar later, in 1951, wordt een tweede zoon Johan geboren in Amahai op Seram, het geboorte-eiland van Julius.
Vast op Ambon
In 1948 gaat het gezin met verlof naar Ambon. Het is echter zo onrustig, dat ze het eiland niet meer kunnen verlaten. Na de Japanse bezetting van Nederlands-Indië in de Tweede Wereldoorlog roepen inheemse Indonesiërs op 17 augustus 1945 de onafhankelijke Republik Indonesia uit. Tot aan de soevereiniteitsoverdracht in december 1949 woedt er een hevige strijd tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Indonesische vrijheidsstrijders (zie ook: Nederland en de Molukken – Historische context). Ook op Ambon. Stiefzoon Oetje -toen acht jaar- herinnert zich de rellen op Ambon nog goed.
Naar Nederland
Julius weet in 1953 vanuit Laha (Ambon) en Jakarta naar Nederland te vliegen, zonder zijn gezin. Willie en de kinderen volgen in 1954. Uiteindelijk vertrekken ze met een PELNI-passagierschip (Pelayaran Nasional Indonesia: de nationale rederij van Indonesië) vanuit Ambon naar Jakarta, waar ze een week verblijven. Het is inmiddels 1955 als ze met het schip De Sumatra verder reizen richting Halifax in Canada. Ze verlaten de boot in Genua in Italië om met de trein verder te gaan naar Amsterdam. Daar worden ze opgewacht door Julius. In de marine kazerne is er gelegenheid om even op adem te komen, voordat ze naar het barakkenkamp in Medemblik verhuizen. Julius is in die tijd gestationeerd in Den Helder bij de duikbootdienst. In 1957 vertrekt het gezin naar Leiden, waar ze eerst in de Marnixstraat en later in de Javastraat wonen. In Leiden wordt de jongste zoon Alfred geboren. Julius werkt eerst in Voorschoten, waar hij jonge marinemannen opleidt. Later treedt hij in dienst bij de Sociaal Medische Dienst van de marine, gevestigd in de voormalige Kweekschool voor Zeevaart aan het Noordeinde in Leiden. In 1960 overlijdt Willie, nog maar 47 jaar oud. Julius heeft nu de zorg voor de kinderen Johan en Alfred. Oetje en Otti zijn dan al het huis uit. Op 2 september 1991 overlijdt “opa” Julius op 88-jarige leeftijd aan nierfalen.
Een graf op Rhijnhof
Willie en Julius zijn op Rhijnhof begraven in familiegraf 002056-EOO-049.
Op Rhijnhof liggen zeven graven van Molukse veteranen van de Koninklijke Marine. In 2024 besluit het Leidse college van burgemeester en wethouders deze graven een beschermde en bijzondere status te geven. Zij garanderen het voortbestaan van de graven voor een periode van 30 jaar tot 2054. De grafrechten en onderhoudskosten zijn tot die periode door gemeente Leiden voldaan. Het is een teken van eerbetoon en eerherstel voor het leed dat de Molukkers van de eerste generatie is aangedaan na hun komst uit Indonesië naar Nederland in 1951.
Meer weten over de zeven Marine-Molukkers op Rhijnhof, klik dan op hun naam.



